
Opa Frans is tijdens de oorlog tewerkgesteld in Japan. In het kamp Fukuoka 6B op het zuidelijke eiland Kyoshu moest er in de kolenmijn gewerkt worden. Op deze pagina worden de omzwervingen en belevenissen van opa gereconstrueerd. Opa staat op de foto helemaal links. Opa had in oktober 1940 vrijwillig getekend voor 6 jaar bij het KNIL als soldaat 2e klasse l.l. (FH: laatsleden) radio-telegrafist en geplaatst bij het 3e Bataljon Gi.Tpn. (FH: Genie Troepen) van de Genie te Tjimahi.
Via A II Veld te Tjimahi belandt hij in december 1941 bij de 7e Berg.Batt te Cheribon. Op 8 maart 1942 wordt hij in Bandoeng gevangengenomen door het Japanse leger.

De scheepsramp van de Junyo Maru
Hij wordt vastgezet in kamp Java I in Sakaboemi. Eerst in het kindersanatorium in de Societeitsstraat en later in de Hogere Landbouwschool (Cultuurschool) aan de Selabatoeweg. Waarschijnlijk beland hij in de maanden er na in het HBS-kamp in Soerabaja aan de Ambenganweg even ten zuiden van de Jaarmarkt. Op 1-2-1943 scheept hij in op de Maebashi Maru 2 en vaart van Soerabaja naar Tanjong-Priok, de haven van Batavia waar hij de 3e aankomt. Op de 5e vertrekt het schip naar Singapore op Malakka. Daar aangekomen belandt hij op 9 februari 1942 in het Changi-kamp.
Van “japansekrijgsgevangenkampen.nl”:
De Maebashi Maru 2 (7.005 ton, 1921, soms aangeduid als Mayebashi Maru) vertrok op 1-2-1943 met ongeveer 1900 krijgsgevangenen (3 Engelsen, verder allemaal Nederlanders) uit Soerabaja (HBS-kamp) naar Singapore, de zogenaamde Java Party 12., het 12e krijgsgevangenentransport dat van Java vertrok.
De route liep vlak langs de noordkust van Java. Het was een smerig schip, afgewerkte kolen lagen aan dek; alles, ook de bemanning, zag er zwart en vettig uit. De krijgsgevangenen werden in het voorste ruim gepropt, officieren en manschappen door elkaar. Er waren geen patrijspoorten, de ventilatie werkte niet, er hing een verpeste lucht. Liggend slapen was onmogelijk, iedereen zat met opgetrokken knieën.
Het eten bestond uit wat rijst en vissoep. Door een visvergiftiging werden velen beroerd en moesten overgeven. Daarnaast trad nog een permanganaat-vergiftiging op doordat de verdunde permanganaat (gebruikt om eetgerei af te spoelen) per ongeluk als thee werd geschonken; maag- en buikklachten waren het gevolg.
Op 3-2-1943 kwam het schip aan op de rede van Tandjong Priok (de haven was geblokkeerd door gezonken schepen); hier werd in verband met de vele zieken aan boord een medische keuring gehouden; hierbij werden ongeveer 200 man afgekeurd en aan wal gebracht. Op 5-2-1943 ging het schip verder richting Singapore.
Oogetuigeverslag van Ronald Scholte op “Fukuoka 14b.org”:
Na een verblijf van een paar weken werden we naar de haven van Surabaya gebracht, en ingescheept op May Basu Maru. We werden verdeeld over enkele ruimen van het schip.
In de ruimen stonden rekken met ligplaatsen, dat waren onze slaapplaatsen.
Er waren echter niet genoeg slaapplaatsen, zodat velen op een plaats in het gangpad of op de trap moesten slapen. Ook hier waren veel dysenteriepatiënten die vaak alles lieten lopen, omdat de wc boven aan dek stond en ze geen kracht hadden om de trap te beklimmen. Spoedig was het dan ook een vuile boel.
De sterken onder ons probeerden de zaak zo schoon mogelijk te houden. De volgende dag stonden we in de haven van Batavia, waar de ergste zieken van boord werden gehaald. Ondertussen was het uitgelekt dat we naar Singapore zouden gaan. Op 9 februari 1943 kwamen wij vies en vuil en onder de luizen aan in Singapore.


Op 9-2-1943 kwam het schip in Singapore aan. De mannen werden in open vrachtauto’s in de stromende regen getransporteerd naar de kazernes van Changi, afdeling Southern Area Changi Hills, NAAFI-blok. Er waren bij aankomst ongeveer 300 krijgsgevangenen met dysenterie (zij moesten naar een ziekenhuis).
Oogetuigeverslag van Ronald Scholte op “Fukuoka 14b.org”:
We werden met vrachtauto’s naar een groot legerkamp van de Engelsen gebracht. Dit kamp heette Changi en was heel groot. Het lag heel prachtig aan de straat van Johore. Er waren daar Engelsen, Australiërs, Nederlanders en Brits-Indiërs. Het kamp was verdeeld in verschillende sectoren en het was verboden zonder toestemming naar een andere sector te gaan. De Engelsen waren er de baas en via hen werden ook de rantsoenen verstrekt. De Engelsen hadden de beste plaatsen voor zichzelf behouden. Ook waren zij nog in het bezit van hun bezittingen, in tegenstelling tot onze mensen die door de vele verplaatsingen veel van hun bezittingen waren kwijtgeraakt.
Van de Japanners hadden we hier geen last want die bleven buiten het kamp. De Engelsen hadden een eigen ordedienst die toezicht hield in het kamp.
In het begin hadden velen van ons last van luizen, maar die waren gauw verdwenen na een behandeling met zalf. Het eten was niet zo best en velen kregen dan ook last van vitaminegebrek, beriberi of andere kwalen. Een veel voorkomende ziekte was “burning-feet”. Het was net of je voeten in brand stonden, vooral ’s nachts had men er veel last van. Men zag dan ook vaak mensen met hun voeten in een bak water zitten.
Om aan de nodige groenten te komen, zochten wij naar in het wild groeiende gewassen, zoals krokot (postelein) en de bladeren van de kembang-sepatu (hibiscus).
Aan ontspanning werd in dit kamp nog wel gedaan, zoals cabaret en toneeluitvoeringen met als vrouwen verklede mannen. Vaak hadden de Japanners die kwamen kijken, er moeite mee om te geloven dat het mannen waren, en er volgde dan ook een onderzoek hiernaar.We moesten ook wel eens hout gaan halen voor de keuken, dit deden we met vrachtauto’s waarvan de motor en laadbak waren verwijderd. In de plaats van de bak was een houten platform op het chassis gemonteerd. Het hout moest op een hoger gedeelte van het kamp worden gehaald. De wagens werden dan met mankracht de helling opgetrokken en volgeladen met takken en boomstammen. Bij de afdaling had men alleen de beschikking over het stuur en de remmen. De afdaling ging dan ook wel eens met een te grote snelheid, wat tot ongelukken leidde.
Een groep van 1000 van deze krijgsgevangenen ging op 2-4-1943 op de Hawaii Maru 1 naar Japan. De overigen gingen met treintransporten naar Ban Pong, het beginpunt van de Birmaspoorweg in Thailand, op 13-4-1943, 15-4-1943, 16-4-1943, 25-4-1943 en 6-5-1943
De Hawaii Maru 1 vertrok op 2-4-1943 met 1000 krijgsgevangenen (hoofdzakelijk Nederlanders) uit Singapore naar Japan. Een deel van deze krijgsgevangenen was kort te voren uit Soerabaja via Tandjong Priok met de Maebashi Maru 2 in Singapore aangekomen (Java Party 12).
Het transport vond plaats in een convooi van vier schepen. Tussen Saigon (Indo-China/ Vietnam) en Takao (Formosa/Taiwan) was de zee zeer onstuimig, waardoor er veel zeezieken waren. De voeding was redelijk: rijst met sajoer, soms wat vis, voldoende thee. De omstandigheden in de ruimen waren slecht: veel zieken, 6 sterfgevallen.
Op 24-4-1943 kwam het schip aan in Moji; er was een zevende sterfgeval en er waren 180 zieken. De ernstig zieken gingen naar het noodhospitaal in Moji. De overige krijgsgevangenen werden overgebracht naar diverse krijgsgevangenkampen, deels op het zuidelijke eiland Kiushu, deels op het hoofdeiland Honshu (zie tabel). De mannen voor de kampen op Honshu werden met de veerboot overgezet naar Shimonoseki (niet door de tunnel), waarna het transport verder ging per trein.
Oogetuigeverslag van Ronald Scholte op “Fukuoka 14b.org”
Op 2 april 1943 moest een groep van ongeveer 900 man met hun bezittingen aantreden, Van Steenbergen en ik hoorden hier ook bij. We hadden reeds geruchten gehoord dat we naar Japan zouden worden gebracht, maar niemand geloofde dit echt. We werden in de haven van Singapore ingescheept op de Hawaii-Maru. De groep werd verdeeld over het voor- en achterschip en ondergebracht in beide ruimen, die eender waren ingericht als het vorige schip waarmee we naar Singapore waren gebracht.
Dit schip was wel wat groter, zodat iedereen een ligplaats had. Boven aan dek waren aan de reling houten hokken geplaatst met een goot die buitenboord stak.
Dit waren onze toiletten die een paar keer per dag met een krachtige waterstraal werden schoongespoten. We mochten af en toe aan dek komen: om je behoefte te doen of om eten te halen.
De bovenste laag van het ruim was onze verblijfplaats en het onderste gedeelte was gevuld met zakken suiker en vrachtauto’s, waarschijnlijk afkomstig uit de bezette gebieden.
De boven elkaar geplaatste slaapplaatsen gaven vooral voor de dysenteriepatiënten die boven lagen nogal problemen. Ze lieten dan ook vaak, als ze niet snel genoeg een pannetje konden pakken, hun ontlasting zo maar lopen.
Naarmate de zee ruwer werd, hadden we ook te maken met zeeziekte, waardoor de smeerboel nog groter werd. De gezonden onder ons probeerden zoveel mogelijk de zaak schoon te houden. Bij de toiletten waren tonnen met een ontsmettingsmiddel (Sublimaat) geplaatst om je handen te wassen. Dit middel is normaal blauw gekleurd maar het Japanse spul was theekleurig. Er is dan ook eens een vergissing gemaakt met thee, waarvan de tonnen daar ook in de buurt stonden. De mensen die uit de verkeerde ton hadden gedronken moesten hun maag laten leegpompen.
De reis ging via Saigon (5 april) en Taiwan (15 april) naar Modji (Japan).
In Saigon hoorden we dat een krijgsgevangene was ontsnapt, die daar voor de oorlog had gewoond. Of hij de vlucht had overleefd weet ik niet, daar men nog een eindje moest zwemmen om de kust te bereiken.
We kregen slechts tweemaal per dag wat waterige rijst, waardoor velen zich zo slap voelden dat ze haast niet meer van hun slaapplaats afkwamen. Tijdens de reis zijn enkele krijgsgevangenen overleden en hebben een zeemansgraf gehad.
De gezondheidstoestand aan boord werd steeds slechter. De reis had dan ook niet langer moeten duren, anders waren er nog meer slachtoffers gevallen.
Op 24 april 1943 kwamen wij aan in Modji. Het was lente en de kersenbomen stonden in bloei, doch daar hadden we niet veel oog voor. We waren veel te moe en ziek van de doorstane ontberingen.
In Modji werden wij verdeeld in groepen van 300 man en naar een gebouw gebracht waar broodjes werden uitgedeeld. Deze smaakten uiteraard veel beter dan de waterige rijst die we 3 weken lang moesten eten. Hierna moesten we naar het station lopen. Onderweg hadden we veel bekijks van de plaatselijke bevolking. Ze lachten ons uit en riepen allerlei woorden die we gelukkig niet verstonden.

Opa is vervoerd naar kamp Fukuoka 6B, Mizumaki, ook wel aangeduid als Orio of Takamatsu. Toen opa aankwam heette het kamp Fukuoka 15B (sinds 22-4-1943), per 1-12-1943 heette het Fukuoka 9B en vanaf augustus 1945 is het 6B geworden.
Fukuoka is een prefectuur op Kyushu, het meest zuidelijke van de vier Japanse hoofdeilanden. De grootste stad en hoofdstad van de prefectuur is Fukuoka, de grootste stad ten westen van Ōsaka. Het eiland is bergachtig. Op Kyushu ligt de grootste actieve vulkaan van Japan, de Aso(1.592 meter) Nagasaki is de belangrijkste havenstad. In het noorden is veel zware industrie gevestigd, waaronder toentertijd ook kolenmijnen. (info: Wikipedia)
Van ‘japansekrijgsgevangenkampen.nl’:
Fukuoka 6
Werkzaamheden
– werken in kolenmijn (Takamatsu Coal Mining Co)
– onder riviermonding, 700 m diep, in 3 ploegen olv Yamaguchi, later Watanabé
– zeer zwaar, slechte behandeling, dagelijks min-of-meer ernstige ongelukken;
– slechts 2 vrije dagen per maand
– tuinaanleg (50 man)
Omstandigheden
voeding absoluut onvoldoende: alleen wat rijst en meel, geen vlees, vis, groente, fruit
wonen 16 barakken, ieder met 8 boven- en 8 benedenkamers; eetzaal voor 400 man
water zeer onregelmatig beschikbaar; kleine badkamer met heet-water-bad; weinig zeep
gezondheid slecht; veel wonden door mijnwerk; veel vlooien en wandluizen
medische zorg 3 doktoren (o.a. Nieuwenhuis en Rappard); 2 hospitaal-barakken; alles olv Japanse soldaat
sterfgevallen totaal 72
kleding in twee jaar en 3 maanden slechts eenmaal nieuwe werkkleding


Kaartje links: Kyushu (Wikipedia). Kaartje rechts: In de prefectuur Fukuoka lagen tientallen krijgsgevangenkampen, genaamd Fukuoka, gevolgd door een volgnummer. Kaartje van ‘japansekrijgsgevangenkampen.nl’. Bij 6 lag kamp 6B. In het uiterste noorde Moji, waar het schip aan kwam. Linksonder Nagasaki, waar de bom viel.